Zoeken
  • Jonathan Leegwater

CT, MRI, PET: zoveel soorten scans... maar wat is nou het verschil?

Het zal sommige mensen misschien een beetje duizelen, al die verschillende scans die er tegenwoordig zijn. En ze hebben ook nog eens allemaal afkortingen: CT, SPECT, SPECT-CT, PET, PET-CT, MRI, PET-MRI en DEXA bijvoorbeeld. Maar.. wat voor scans zijn dat nou eigenlijk? Wat zijn de verschillen én wat zie je er op? Daar over meer in deze blog!


De CT-scan, niet meer de jongste


Zo’n 50 jaar geleden werd de eerste CT-scan bij een patiënt gemaakt. CT staat voor Computer Tomografie. Tomografie stamt uit het Grieks (τόμος tomos = sectie, γράφω graphō = schrijven) en betekent 2D doorsnedes maken van een 3D-object.


Dit wordt bij een CT-scan gedaan door een röntgenbuis en een detector tegenover elkaar in een ring te plaatsen. Deze ring draait vervolgens rondjes om een patiënt. Tijdens het rondjes draaien worden een hele serie foto’s gemaakt. Al deze informatie wordt door een computer samengevoegd tot een beeld. Feitelijk zijn het dus een heleboel röntgenfoto’s bij elkaar. Met een CT-scan kijken we met name naar de grote structuur in de hersenen, de organen in de borstkas en buik, en de botten. Voor veel aandoeningen een goede scan, maar lang niet voor alles.


De SPECT-scan: een CT scan met een beetje extra


De SPECT-scan lijkt op een gewone CT-scan, maar gaat net beetje anders te werk. Bij deze scan wordt er gebruik gemaakt van een radioactieve stof (namelijk 99mTc). Nadat deze stof via het infuus is ingebracht, circuleert dit in het lichaam of door het bloed. Deze stof zendt continue straling uit. Om deze straling goed in beeld te krijgen, maken we gebruik van een detector. Deze detector of camera kun je net als bij de CT-scan om een patiënt heen laten draaien en zo uit meerdere richtingen informatie verzamelen.


Het resultaat is een doorsnede beeld waar alleen de toegediende stof te zien is en vooral: waar in het lichaam deze stof zich ophoopt. Je kunt dus geen gedetailleerde afbeeldingen van organen zien, maar puur de straling uit de patiënt zelf. Een SPECT-scan wordt veelal gemaakt bij kanker, onder andere om tumoren en uitzaaiingen op te sporen (waar de radioactieve stof zich veelal in op kan hopen). Ook kan een SPECT-scan gebruikt worden bij diagnostiek naar verstoppingen van de kransslagvaten. De SPECT wordt dan ook wel myocardscintigrafie genoemd.


De SPECT-scan kan ook gecombineerd worden met een gewone CT-scan. Vervolgens kunnen beide plaatjes over elkaar heen worden gelegd. Dan spreken we van een SPECT-CT. Dit heeft als voordeel dat je goed kan zien in welk orgaan of weefsel het radioactieve middel zich ophoopt. In het kader van kanker kan het zo bijvoorbeeld duidelijker worden waar een tumor precies zit.


PET, dat is toch van plastic flessen?


De volgende in de lijst is PET (Positron Emission Tomography). Deze scan wordt verricht om te kunnen bekijken of iemand een ziekte heeft als kanker. Daarbij kunnen bijvoorbeeld ontstekingen aan het hart te zien zijn.


Ook bij deze scan wordt gebruik gemaakt van een radioactieve stof. Organen en weefsels moeten dit opnemen. Dit vertelt ons vervolgens wat er aan de hand is: welk deel van het lichaam neemt veel van de stof op en welke nauwelijks? Vaak wordt gebruik gemaakt van de stof 18F-FDG (een kunstmatige radioactieve vorm van suiker). Omdat veel kankersoorten een grote mate van suiker verbruiken in hun toegenomen groei, kan middels PET de activiteit en verspreiding in kaart worden gebracht.


De patiënt ligt bij deze scan in een grote tunnel, waar allemaal detectoren in zitten om stralen op te vangen. Als er 2 stralen recht tegenover elkaar worden waargenomen, dan kan de plaats van de stof worden bepaald. Wanneer er voldoende reacties zijn, kan er een aardig beeld worden geschept van waar de activiteit zit. Ook dit is net als de SPECT een abstract beeld. Daarom wordt ook deze scan met een CT-scan gecombineerd, dit wordt de PET-CT genoemd.


SPECT en PET kijken allebei dus naar de inwendige verdeling van activiteit. Het verschil tussen beide zit in de soort radioactieve stoffen die gebruikt worden en daarmee de energie van de vrijgekomen fotonen.


De DEXA-scan


Tijdens deze scan (die staat voor: Dual Energy X-ray Absorptiometry) worden 2 dezelfde opnamen gemaakt van botten in de heup, pols of wervelkolom met een kleine hoeveelheid röntgenstraling. Met de DEXA-scan kan er heel nauwkeurig naar calcium, kalk dus, worden gekeken. Zo kan de botmineraaldichtheid worden bepaald om bijvoorbeeld botontkalking op te sporen. Ook kan de vorm en stand van de wervels worden beoordeeld. Deze scans worden daarom met name gemaakt wanneer er gedacht wordt aan botontkalking.


Even geen straling: de MRI-scan


Het nadeel van alle eerder genoemde scan methoden is het gebruik van röntgenstraling en radioactieve middelen. Hoewel de huidige dosering röntgenstraling en radioactief materiaal dat gebruikt wordt voor mensen veilig zijn, kan het teveel krijgen van deze straling (bijvoorbeeld doordat iemand meerdere scans moet ondergaan) of het scannen van jonge weefsels (bijvoorbeeld bij kinderen, of ontwikkeld borstweefsel bij zwangeren) wel op langere termijn complicaties (zoals tumoren) geven. Daarom wordt soms gekozen voor een ander type scan. Ook kan een CT-scan soms bepaalde afwijkingen niet goed diagnosticeren.


MRI staat voor Magnetic Resonance Imaging. Zoals de naam doet vermoeden, is een MRI een grote magneet. De meeste mensen herkennen de MRI wel van de plaatjes: een buisvormige scan waar je in wordt gelegd. Een MRI werkt doordat de magneet in de MRI de waterstof atomen in het lichaam van een mens (en daar hebben we veel van) laat bewegen. Dat klinkt misschien gek, maar kan geen kwaad. Door grote antennes die dat signaal opvangen, kan een zeer gedetailleerd beeld van het weefsel worden gemaakt. Omdat verschillende weefsels op verschillende manieren hun signaal afgeven, kan een nauwkeurig onderscheid worden gemaakt. Zo kan bijvoorbeeld naar de hartspier of naar de hersenen worden gekeken om subtiele weefsel afwijkingen op te sporen. Een MRI is echter niet geschikt voor het opsporen van álle afwijkingen en is daarnaast een scan die relatief lang duurt.


echo zwangerschap

Griekse mythologie: de echo


Op naar de echo. Echo was een vervloekte nimf die verliefd werd op de knappe Narcissus. Omdat Narcissus alleen verliefd was op zichzelf en haar afwees, trok ze zich van verdriet terug in een grot waar je tot op de dag van vandaag nog haar echoënde stem kan horen.


In de medische wereld is echografie een beeldvormend middel om met gebruik van terugkaatsende geluidsgolven in het lichaam te kijken. Omdat geluid goed door water gedragen wordt, kan er in bijvoorbeeld spieren en organen (die voornamelijk uit water bestaan) gekeken worden naar structurele afwijkingen. Ook kan er worden gekeken naar de doorbloeding en stroomsnelheid van bloedvaten. Een bijkomend voordeel van echografie is het contact met de patiënt. Waar artsen bij andere scans graag willen dat de patiënt zo stil mogelijk ligt, kan bij echografie in meerdere houdingen en ook dynamisch worden gekeken. Zo kunnen pijnlijke plekken en bewegingen onderzocht worden terwijl het onderzoek plaatsvindt.


Omdat echo snel en veilig is, wordt het ook tijdens de zwangerschap gebruikt om de groei van de baby te volgen en afwijkingen op tijd te herkennen. Maar het kan ook in de spoedsetting gebruikt worden om bijvoorbeeld bloed op te sporen in de borstholte of om de pompbewegingen van het hart te zien.


Welke scan is de juiste?


Elke “scan” kijkt dus op zijn eigen manier naar een deel van de structuur en werking van het menselijk lichaam. De ontwikkelingen volgen zich in razend tempo op en de beelden worden beter en beter. Wanneer iemand in behandeling is en een scan nodig heeft, zal de arts altijd een zorgvuldige afweging maken en de best passende scan aanvragen. Zo wordt de juiste diagnose gesteld met, uiteindelijk, het juiste plaatje.



Over de gastauteur: Deze blog is geschreven door Jonathan Leegwater. Hij is opgeleid als radiodiagnostisch laborant en Physician Assistant in de radiologie en nucleaire geneeskunde. Tevens is hij docent Medisch Vakken aan de Hogeschool Inholland.

1.998 weergaven